De donkere deken

De donkere deken

In deze corona-tijden ben ik zeker geen held. Het liefst ga ik in een hoekje zitten, trek ik een deken over me heen, en wacht ik tot dit ooit weer over gaat. Maar dat gaat natuurlijk niet. Het leven gaat nog “gewoon” door: Het gezinsleven draait door, het (thuis)werk wacht, tussendoor moeten de kinderen ook nog even ondersteund worden in hun schoolwerk, en het huishouden gaat ook al niet vanzelf. En dus ga ik door. Terwijl ik in gedachten af en toe een deken over me heen trek.

En of je nu een echt deken over je heen trekt, of dat in gedachten doet: Het wordt dan donker. In mijn gedachten wordt het op zo’n moment dan ook donker, somber, ik ga piekeren, ik bedenk allerlei mogelijke (vaak negatieve) scenario’s en van binnen ga ik soms zelfs mopperen.

Dat mopperen is trouwens niet iets vreemds, dat bestaat volgens mij al zolang als de mens bestaat. In de eeuwenoude verzameling met boeken, ook wel de Bijbel genoemd, lees je bijvoorbeeld over een volk. Het volk Israël. Ze waren op een heel indrukwekkende manier gered uit een zwaar bestaan als slaaf in het land Egypte. Maar meerdere malen hadden ze tegenslagen te verwerken. Tegenslagen, zoals: een grote legermacht van de Egyptenaren die achter het volk aan komt om ze terug te halen, een oase midden in een dorre woestijn waar alleen maar ondrinkbaar water is en het vooruitzicht dat ze een land gaan betreden waar sterke reusachtige mensen wonen waarbij zij in het niet vallen. En als een refrein kwam steeds weer het verwijt aan Mozes, de leider: “Hé Mozes, waarom heb je ons uit Egypte geleidt? Om ons hier te laten sterven? Waren we maar in Egypte gebleven!”. Met de kennis van nu kunnen we dan ook afwijzend spreken over het gemopper van het volk Israël. Maar ik ben bang dat ik in zo’n situatie, net zo zou reageren.

In gedachten trek ik de dekens nog wat verder over me heen, het wordt nog donkerder. Die stomme Corona ook. Ironisch dat zoiets kleins als een virus, de naam Corona (spaans voor: “kroon”) krijgt en zijn naam eer aan doet: het beheerst ons leven, het krijgt landen op de knieën, zet maatschappijen stil en ziekenhuizen stromen vol met ernstig zieke mensen. Waar is God eigenlijk in dit alles? Laat hij dit toe? Is God boos op ons? Doet hem de ellende dan niets? Is God er eigenlijk wel? En langzaam is er geen spatje licht meer te vinden.
Hoe dik die donkere deken ook is, het houdt niet alles tegen. Af en toe hoor ik een geluid. Een lied. Ik vang iets op van iemand die over Jezus praat. Een kind komt toevallig met een opmerking die mij bemoedigd. Een Bijbeltekst schiet me te binnen.

Plotseling besef ik, dat die deken die ik over me heen heb getrokken, geen deken meer is. Ik blijk opeens te schuilen onder vleugels. Gods vleugels. Ik ben opeens als een kuiken dat onder de vleugels van zijn moeder schuilt.
Begrijp me goed: Ik ben er niet zelf onder gaan schuilen. Het was toch echt mijn eigen donkere deken die ik over mij heen heb getrokken, maar op één of andere manier heeft God mijn deken verruild voor zijn vleugels.

En terwijl ik nog steeds pieker over de Corona, kijk ik tussen de vleugels door. Er sijpelt licht naar binnen. En ik zie daar wat ik net nodig had.

Het kan van tijd tot tijd donker zijn. Mijn deken is nog steeds onder handbereik en God zal heus nog vaker mijn deken moeten verruilen voor zijn vleugels. Het piekeren is echt niet opgehouden. Maar op dit moment kijk ik naar Jezus. Op zijn hoofd zie ik een kroon, gevlochten van doorntakken. En Jezus ogen spreken boekdelen:

“Zie je die kroon, die corona, met dorens op mijn hoofd? Die heb ik gedragen terwijl ik aan het kruis hing. Ik ben de echte heerser. Over mensen, maatschappijen, landen, het leven, het virus met de naam corona, het virus met de naam zonden en zelfs over de dood!
Ik draag de echte kroon! Vertrouw mij!”

Piet van de Lagemaat